NL  |  FR  |  EN  |  DE  
klein normaal groot
home
 
Talentellingen: onderdeel van de volkstelling
nl  I  fr  I  en  I  de
 
Vraagstelling
Toen BelgiŽ in 1846 z'n eerste volkstelling organiseerde, werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om te peilen naar de omgangstaal. De tellingsagenten die door de gemeenten op pad werden gestuurd, stelden naast algemene vragen over de socio-economische situatie van de huishoudens ook vragen over het taalgebruik. Die vragen varieerden per telling. In 1846 hadden de ondervraagden de keuze tussen 'Frans of Waals', 'Vlaams of Hollands', Duits, Engels of 'andere talen'.
 
Vanaf 1866 konden de ondervraagden kiezen tussen de 3 landstalen (Frans, 'Vlaams' en Duits), de 4 combinaties (Frans-Vlaams, Frans-Duits, Vlaams-Duits en Frans-Vlaams-Duits) of de optie 'geen van de 3'. Het was niet duidelijk of de vraag de moedertaal betrof, de talenkennis of het taalgebruik.


In 1866 was er daarnaast ook de optie 'doofstom'. In 1880 waren kinderen jonger dan 2 een aparte categorie, 'beschouwd als niet-sprekend'.
Vanaf 1910 werd ook gepeild naar de taal die de meertaligen het meest gebruikten: Frans, Vlaams of Duits.
Vanaf 1930 kwam daar ook de categorie meertaligen die 'de taal niet hebben aangeduid waarvan zij zich het meest bedienen' bij. Vanaf dan bevatten de talentellingen naast absolute cijfers ook percentages.

Bij de laatste talentelling, in 1947, was er geen sprake meer van 'Vlaams' maar van 'Nederlands'. Ook werd de som gemaakt van de eentaligen en van de meertaligen die een voorkeur voor die bepaalde landstaal hadden uitgedrukt.

Politieke gevolgen
Aanvankelijk hadden deze tellingen geen politieke gevolgen: volgens de grondwet mocht iedereen in het nieuwe BelgiŽ de taal gebruiken die hij wou, maar zowat alle officiŽle verrichtingen verliepen in het Frans. Door de taalwetten van eind 19de eeuw, maar vooral door die van 1921 en 1932 kwam het overwegend eentalig Franse karakter van de Belgische staat onder druk te staan. Vooral de invloed van de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht (1921) en de groeiende Vlaamse economische macht zorgden voor een opwaardering van het Nederlands in de centrale instellingen en in Brussel. Uit vrees voor een algemene tweetaligheid van het openbaar leven, werd vanuit de Waalse Beweging aangedrongen op de afbakening van eentalige taalgebieden. Om de taalgebieden af te bakenen, moest een taalgrens worden bepaald en daarbij werden de talentellingen het voornaamste politiek instrument (naast o.a. stedebouwkundige argumenten). 
 
Privé mocht iedereen nog steeds de taal gebruiken die hij wou, maar opeenvolgende taalwetten stelden dat gerecht, administratie en onderwijs voortaan in de streektaal moesten. In Vlaanderen was dat het Nederlands, in WalloniŽ het Frans. De Brusselse agglomeratie kreeg een apart taalstatuut: officieel tweetalig, in de praktijk hoofdzakelijk Franstalig. Nagenoeg alle Brusselse gemeentebesturen kozen immers als interne diensttaal het Frans. 

Als gevolg van de resultaten van de talentellingen, breidde Brussel systematisch uit. Tegelijk met een demografische expansie en verstedelijkingsproces, bleken de hoofdzakelijk Nederlandstalige randgemeenten rond de hoofdstad, systematisch te verfransen - de zogenaamde olievlek.
Steeds meer omliggende gemeenten werden officieel tweetalig. Na de talentelling van 1920 werd de Brusselse agglomeratie uitgebreid van 15 naar 17 gemeenten: Sint-Pieters-Woluwe en Sint-Stevens-Woluwe kregen een Brussels taalstatuut. Bovendien werden Laken, Haren en Neder-over-Heembeek geannexeerd door de stad Brussel.


GRAFIEK: Resultaten van de talentellingen (1846-1947) voor alle gemeenten die deel uitmaken van de Vlaamse Rand. Totaal aantal inwoners, aantal sprekers Nederlands (N), Frans (F), tweetaligen (N&F), (F&D), (D&N), drietaligen (N, F&D) en de categorieŽn geen spreektaal en extra (andere talen).
Klik op de grafiek voor een groter beeld.

De taalwet op bestuurszaken uit 1932 koppelde het taalstatuut van taalgrensgemeenten zelfs expliciet aan de resultaten van de talentellingen. Zodra 30% van de bevolking verklaarde een andere taal dan de officiŽle taal van de gemeente te spreken, moest de gemeente deze inwoners in hun taal bedienen (een soort faciliteit avant-la-lettre). Zodra 50% van de bevolking verklaarde een andere taal te spreken, mocht het gemeentebestuur van ambtstaal veranderen en schoof de taalgrens dus op. De talentellingen kregen dus rechtsreekse politieke consequenties. Dit had trouwens tot gevolg dat Sint-Stevens-Woluwe terug uit de Brusselse agglomeratie gelicht werd omdat er minder dan 30% Franstaligen woonden.
 
Vlak na de volgende telling (omwille van de Tweede Wereldoorlog pas in 1947) groeide aan Vlaamse zijde het protest. De resultaten uit 1947 werden omwille van die controverse pas in 1954 gepubliceerd. En wat bleek: opnieuw werd Brussel groter. Ganshoren, Evere en Sint-Agatha-Berchem telden meer dan 50% Franstaligen en kregen een Brussels taalstatuut. Drogenbos, Wemmel, Kraainem en Linkebeek telden meer dan 30% Franstaligen en kregen een systeem van externe tweetaligheid. Eerder al werd de objectiviteit van de tellingen in vraag gesteld, maar de annexatie van opnieuw drie Vlaamse randgemeenten bij de Brusselse agglomeratie zorgde voor een massamobilisatie van de Vlaamse Beweging. Vlaamse verenigingen als het Davidsfonds, het Vermeylenfonds en het Willemsfonds noemden de tellingen gemanipuleerd en eisten een afschaffing van de tellingen en een definitieve vastlegging van de taalgrens. 
 
Het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en de Taalgrens (VABT) werd opgericht. Ruim 500 Vlaamse gemeentebesturen kantten zich tegen een nieuwe talentelling. De regering stelde daarop de telling van 1957 uit en op 24 juli 1961 werden talentellingen in BelgiŽ bij wet afgeschaft. In 1962 werd de taalgrens vastgelegd als onderdeel van een groter communautair compromis.
 
Sindsdien zijn er geen officiŽle gegevens meer over talenkennis of taalgebruik. Soms worden verkiezingsresultaten als indicator voor de taalverhoudingen in Brussel en de Vlaamse randgemeenten gebruikt, of gebeuren ramingen op basis van de taal waarin identiteitskaarten of rijbewijzen worden uitgereikt, maar net als de vroegere talentellingen geven dergelijke analyses een onvolledig en ongenuanceerd beeld van het taallandschap. 
De VUB-studie 'Taalfaciliteiten in de rand'  bevat een enquÍte over taalgebruik, waarbij aangetoond werd dat het taalbeeld zeer gediversifieerd is, mede onder invloed van migraties en andere maatschappelijke evoluties. En Kind en Gezin publiceert gemeentelijke kindrapporten met daarin gegevens over o.a. de thuistaal. 
 
  • Resultaten van de talentellingen van 1846, 1866, 1880, 1890, 1900, 1910, 1920, 1930 en 1947, Download (Excel, 147 kb)
 

Meer informatie